Verlengde navorderingstermijn wordt alleen beperkt voor zwart vermogen in EU en EER

Volgens HvJ-jurisprudentie kan de inspecteur niet altijd de volledige 12-jaarstermijn voor navordering over buitenlandse tegoeden gebruiken maar moet hij de aanslag voldoende voortvarend vaststellen. Rechtbank Breda heeft op 4 juli 2012 bevestigd dat deze toets niet geldt voor verzwegen vermogen dat zich in Zwitserland of een ander zogenoemd derdeland bevindt.

Het gaat om een belastingplichtige die op 30 september 2009 vrijwillig opgave doet van een tot dan toe verzwegen bankrekening in Zwitserland. Aangezien pas in 2011 voor de verzwegen inkomsten een navorderingsaanslag wordt opgelegd terwijl er geen echte reden voor vertraging zoals nader onderzoek of overleg met de belastingplichtige bestaat, is niet aan het vereiste van een voortvarende afhandeling voldaan. De inspecteur erkent dat maar betoogt (in feite) dat dit vereiste alleen geldt als de verzwegen tegoeden worden aangehouden in andere EU-lidstaten dan wel tot de Europese Economische Ruimte (EER) behorende landen (die een beroep kunnen doen op het EU-verdrag).

Rechtbank Breda (nr. 11/3335, LJN BX7634) bevestigt dat Nederland zonder meer het recht heeft om de verlengde navorderingstermijn toe te passen op de inkomsten uit de Zwitserse bankrekening. De toets van een voortvarende behandeling is geïntroduceerd in het Passenheim en Passenheim-van Schoot-arrest, nrs. C-155/08 en C-157/08 en dit arrest gaat uit van de situatie waar toepassing van de verlengde navorderingstermijn (een ongerechtvaardige) strijdigheid oplevert met de vrijheid van kapitaalverkeer (tegenwoordig artikel 63 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie). De Rechtbank overweegt dat de vrijheid van kapitaalverkeer hier niet van toepassing is onder de standstill-bepaling van artikel 57 EG-verdrag (thans artikel 64 VWEU) waarbij op 31 december 1993 bestaande regelingen van toepassing zijn verklaard op derdelanden (niet tot de EU of EER behorende landen). De standstill-bepaling geldt voor “financiële dienstverlening” en hiervan is volgens de Rechtbank sprake. Het Hof van Justitie van de EU heeft in het Commissie-Republiek Oostenrijk-arrest van 25 juni 2009, nr. C-356/08 beslist dat bij bankprestaties, waaronder het aanhouden van een bankrekening bij een bank, sprake is van dienstverlening in de zin van het EG-Verdrag. De Rechtbank concludeert dat de diensten die een bank als zodanig verleent aan zijn cliënt naar hun aard financiële diensten vormen en ziet geen reden om het begrip “financiële diensten” voor de standstill-bepaling beperkter uit te leggen.