Informatiebeschikking terecht afgegeven aan belastingplichtige met relatie naar SPF’s

In een zaak voor Rechtbank Zeeland-West-Brabant is vast komen te staan dat een vrouw niet alle door de inspecteur gevraagde informatie heeft overgelegd. De inspecteur heeft volgens de Rechtbank aannemelijk gemaakt dat de niet overgelegde informatie van belang kan zijn voor de belastingheffing en dat de vrouw bovendien niet alle van haar te verwachten inspanningen heeft verricht om de gevraagde informatie te achterhalen. De informatiebeschikkingen voor de jaren 2000-2010 zijn daarom terecht opgelegd. De vrouw is volgens de inspecteur mogelijk doelgerechtigde (UBO) voor het vermogen in een naar Liechtenstein’s recht opgerichte Anstalt en/of twee naar Curaçaos recht opgerichte SPF’s.

Of het niet verstrekken van de gevraagde informatie de sanctie van omkering en verzwaring van de bewijslast rechtvaardigt, kan niet in de procedure tegen de informatiebeschikkingen aan de orde komen, maar dient te worden beoordeeld in een eventuele procedure tegen de (navorderings)aanslagen, aldus de Rechtbank.

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht, meervoudige kamer
Locatie: Breda
Zaaknummers AWB 13/5534 tot en met 13/5544
uitspraak van 9 april 2015
Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen
[belanghebbende], wonende te [woonplaats],
belanghebbende,
en
de inspecteur van de Belastingdienst,
de inspecteur.
1 Ontstaan en loop van het geding
 
1.1. De inspecteur heeft belanghebbende met dagtekening 7 december 2012 voor de jaren 2000 tot en met 2010 onderstaande informatiebeschikkingen inkomstenbelasting gegeven:
beschikkingnummer
procedurenummer
[aanslagnummer]/52aAWR/IH/2000
13/5534
[aanslagnummer]/52aAWR/IH/2001
13/5535
[aanslagnummer]/52aAWR/IH/2002
13/5536
[aanslagnummer]/52aAWR/IH/2003
13/5537
[aanslagnummer]/52aAWR/IH/2004
13/5538
[aanslagnummer]/52aAWR/IH/2005
13/5539
[aanslagnummer]/52aAWR/IH/2006
13/5540
[aanslagnummer]/52aAWR/IH/2007
13/5541
[aanslagnummer]/52aAWR/IH/2008
13/5542
[aanslagnummer]/52aAWR/IH/2009
13/5543
[aanslagnummer]/52aAWR/IH/2010
13/5544
1.2. De inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar van 9 september 2013 de informatiebeschikkingen deels gehandhaafd (zie 2.9) en daarbij een kostenvergoeding van € 183 toegekend.
1.3. Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 14 oktober 2013, op die dag ontvangen bij de rechtbank, beroep ingesteld. Ter zake van de beroepen heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 44.
1.4. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2015 te Breda.
Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigden van belanghebbende,
[gemachtigden], en namens de inspecteur, [verweerder]. De beroepen van [D], de echtgenoot van belanghebbende (hierna: de echtgenoot), zijn gelijktijdig behandeld (procedurenummers 13/5545 tot en met 13/5555).
1.6. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en een schriftelijke uitspraak aangekondigd.
1.7. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt waarvan een afschrift gelijktijdig met deze uitspraak is verzonden.
2 Feiten
 
Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:
2.1. [A], woonachtig in België, is een ex-ondernemer en sinds april 1992 weduwnaar (hierna: de vader). Hij heeft twee kinderen, [B] (hierna: [B] of de broer) en belanghebbende. Belanghebbende en de echtgenoot (hierna samen: de echtelieden; in citaten ook aangeduid als [C] en [D]) wonen (ook gedurende de onderhavige jaren) in Nederland. Zij hebben twee kinderen, die beiden geboren zijn op [datum] 1988 (hierna: de kinderen).
2.2. De inspecteur heeft op 31 maart en 20 oktober 2011 toestemming gekregen van de officier van justitie om informatie te ontvangen uit het dossier van een strafrechtelijk onderzoek naar onder meer [E] (hierna: [E]), voormalig belastingadviseur van de echtelieden en voormalig partner bij [belastingadvieskantoor]. De inspecteur heeft uit de beschikbaar gestelde informatie afgeleid dat belanghebbende en de echtgenoot mogelijk betrokken zijn bij drie doelvermogens, te weten:
– een naar Liechtensteins recht opgerichte Anstalt met de naam ‘[F]’ (hierna: [F]; in citaten ook aangeduid als ‘Foundation’);
– een naar Antilliaans recht opgerichte Stichting Particulier Fonds met de naam ‘[G]’ (hierna: [G]);
– een naar Antilliaans recht opgerichte Stichting Particulier Fonds met de naam ‘[H]’ (hierna: [H]).
2.3.1. Uit de stukken van het Openbaar Ministerie en uit de informatie verkregen van [belastingadvieskantoor] en het bestuur van [G] is voor zover hier van belang de volgende informatie naar voren gekomen.
2.3.2. De vader heeft in de jaren negentig vermogen ondergebracht in [F].
2.3.3. Op 13 januari 2003 werd opdracht gegeven tot oprichting van een Nederlands-Antilliaanse Stichting Particulier Fonds. Het daarvoor opgemaakte opdrachtformulier is ondertekend door belanghebbende en luidt voor zover hier van belang:
‘(…) Ondergetekende [belanghebbende] (…) geeft hierbij opdracht, en verleent volmacht, met recht van vervanging, aan [I NV], gevestigd te Curaçao, Nederlandse Antillen (…) voor het oprichten en beheren van onderstaande Stichting Particulier Fonds.
van de Stichting
“SPF [G]”
(…) Leden van de Raad van Advies
1. [B]
2. [J]
3. [K]”
 
2.3.4. Op [datum] 2003 werd [G] opgericht. Als bestuurder is geregistreerd [L NV] (hierna: het bestuur). Bij bestuursbesluit van 20 februari 2003 werden de in 2.3.3 onder 1. 2. en 3. genoemde personen benoemd als leden van de Raad van Advies (hierna: RvA) van [G].
2.3.5. Op 21 februari 2003 werd een vrijwaringsovereenkomst gesloten tussen de leden van de RvA en belanghebbende. Belanghebbende is in die overeenkomst aangeduid als “Principale”. De overeenkomst vermeldt voor zover hier van belang het volgende:
“Artikel 1
1.1 De RvA garandeert jegens Pricipale dat de RvA te allen tijde haar verplichtingen uit
hoofde van de statuten en het Huishoudelijk Reglement jegens Principale zal nakomen.
1.2 In het geval dat uitvoering door de RvA van haar taken mocht leiden tot aansprakelijkheid van de RvA, zal deze aansprakelijkheid beperkt zijn tot schade als gevolg van grove nalatigheid of opzettelijk handelen bij de uitvoering door de RvA van haar taken.
1.3 Principale, zowel voor zichzelf alswel haar erfgenamen en/of rechtsopvolgers en/of
persoonlijke vertegenwoordigers, zal de RvA te allen tijde volledig vrijwaren tegen alle
(reeds ontstane, aanhangige of toekomstige) aanspraken, hoe ook genaamd en geen
uitgezonderd, van derden tot vergoeding van schade ontstaan als gevolg van de uitvoering
door de RvA van haar taken uit hoofde van statuten en/of Huishoudelijk Reglement en/of
ontstaan uit hoofde van de daaruit voortvloeiende functie van RvA als gevolg van het
handelen of nalaten van voormalige mede leden van de RvA, tenzij die schade het gevolg
is van grove nalatigheid of opzettelijk handelen van RvA. De aan RvA gegeven vrijwaring
omvat – onder dezelfde beperking – mede alle schaden en verliezen die RvA te eniger tijd
mocht lijden dan wel boetes en bedragen welke RvA mocht voldoen bij wijze van
schikking, kosten en verschotten.
1.4 Bij beëindiging van deze overeenkomst zal Principale niet zijn ontslagen van haar
verplichting tot volledige vrijwaring van de RvA van enig handelen of nalaten voor de
beëindiging.
 
Artikel 2
2.1 De RvA zal naar beste vermogen ervoor zorgdragen dat besluiten en richtlijnen zullen
worden genomen en vastgesteld door de daartoe geëigende organen van de SPF in de
vorm en met inachtneming van de beperkingen die door de wet en de statuten daarvoor
worden voorgeschreven.
2.2 De verhoudingen binnen de RvA zijn vastgelegd in een Huishoudelijk Reglement zoals in
casu geldend vanaf 21 februari 2003. Artikel 3 lid 4 van voornoemd Huishoudelijk
Reglement bevat bepalingen hoe om te gaan bij vacatures in de RvA. De RvA en
Principale komen bij deze overeen dat invulling van voornoemde vacatures in de RvA zal
worden gedaan door de overblijvende leden van de RvA, doch slechts op basis van een
bindende voordracht door Pricipale.”
 
2.3.6. Op 21 februari 2003 heeft [E] volgens zijn agenda een bespreking over [G] te Breda.
2.3.7. Op dezelfde dag, 21 februari 2003, heeft de RvA besloten:
– toe te staan dat het bestuur van [G] een kredietlijnovereenkomst aangaat met belanghebbende voor een bedrag van maximaal € 250.000;
– opdracht te geven aan het bestuur om een tweetal bankrekeningen als beleggingsrekening te openen bij Petercam Banque Privee (Suisse) S.A. en Vontabel S.A.
2.3.8. Op 4 april 2003 is het bestuur met de echtelieden een lening overeengekomen voor een bedrag van € 250.000.
2.3.9. [K] (belastingadviseur van de echtelieden en hierna: [K]) heeft op 14 april 2003 het bestuur per e-mail voor zover hier van belang het volgende bericht:
“wij [schetsen] in deze e-mail nogmaals in het kort de achtergrond van SPF [G]. Begin vorig jaar zijn wij via [D] (al gedurende vele jaren client van [belastingadvieskantoor]) betrokken geraakt bij de fiscale positie van zijn echtgenote [belanghebbende]. Haar in België woonachtige vader heeft een aantal jaren geleden (circa 1995) door middel van handgiften vermogen overgedragen aan een Jersey Trust. Vervolgens is dit vermogen in 1999 overgegaan naar een Lichtensteinse Fondation.
Gedurende het adviestraject zijn wij tot de conclusie gekomen dat vanuit Nederlandse fiscale optiek bezien voor [C] een SPF de voorkeur verdient. Dit heeft uiteindelijk geleid tot oprichting van SPF [G] en liquidatie van de Fondation (nog onder handen). (…)”
 
2.3.10. Het bestuur heeft op 18 september 2003 besloten een bankrekening te openen bij Petercam Banque Privee (Swiss) S.A. Het bestuur heeft daarvoor op 17 november 2003 openingsbescheiden en schriftelijke verklaringen over de economische gerechtigheid ondertekend. De verklaringen vermelden de namen van de echtelieden. Op de verklaringen is geen rekeningnummer vermeld. Bij de verklaring die betrekking heeft op belanghebbende, is het hokje over de economische gerechtigheid niet aangekruist. Bij de verklaring die betrekking heeft op de echtgenoot, is dat wel het geval.
2.3.11. Op 26 november 2003 wordt ambtelijk bevestigd en geregistreerd dat [F] bij ‘Stiftungsrats-Beschluss’ van [datum] 2003 is geliquideerd. Als vereffenaar is aangewezen [M], Rechtsanwalt, te [plaats X], Liechtenstein.
2.3.12. De balans van [G] per ultimo 2003 luidt:


Activa

 
 


Passiva

 
Effecten
€ 3.181.231
 
Stichtingskapitaal
€ 3.612.605
Overige vorderingen
€ 13.633
 
Gecumuleerde resultaten
€ -3.176


Liquide middelen



€ 417.375

 


Overige schulden



€ 2.810

 
€ 3.612.239
 
 
€ 3.612.239
 
2.3.13. De RvA heeft op 12 juli 2005 besloten, kort gezegd, dat [N] (huishoudster van de vader en hierna: [N]) de plaats van [K] in de RvA (zie 2.3.3 en 2.3.4) overneemt.
 
2.3.14. Op 17 februari 2006 is er volgens de agenda van [E] een bespreking inzake “[D] en [belanghebbende] + [K]”.
 
2.3.15. De RvA heeft op 20 februari 2006 besloten om ten laste van [G] de kinderen een bedrag van € 800.000 in contanten te schenken. Op 22 februari 2006 is daartoe de schenkingsovereenkomst opgemaakt.
 
2.3.16. Op 12 juni 2006 is er volgens de agenda van [E] een bespreking te Breda inzake [G].
 
2.3.17. Op 24 oktober 2008 is er volgens de agenda van [E] een bespreking “ER: bespr [Fam D & C] (…) Locatie: “bij [D] & [C] in [woonplaats]”.
 
2.3.18. [belastingadvieskantoor] heeft het bestuur op 17 november 2008 gefactureerd voor onder meer de volgende werkzaamheden:
“Bespreking d.d. 24 oktober 2008 in [woonplaats] inclusief voorbereiding en reistijd;
Email inzake de vergadering van de Raad van Advies;
Werkzaamheden in verband met (nieuwe) ontwikkelingen successiewet en schenkingsrechten;
Telefonisch onderhoud [D] inclusief telefoonnotitie.”
 
2.3.19. Een notitie met dagtekening 24 februari 2009 van [E] aan de echtelieden vermeldt voor zover hier van belang het volgende:
“In het hierna volgende wil ik kort ingaan op de vraag wat te doen met SPF [G] in het kader van de aangekondigde Wet Erfbelasting. Doel van het memo is een zorgvuldige besluitvorming voor de Raad van Advies mogelijk te maken.
Historie:
Begin 2003 beschikte [F] (hierna: [F]) over een bepaald vermogen. [F] was een naar het recht van Liechtenstein opgerichte stichting en gevestigd te [plaats X], Liechtenstein. Begin 2003 heeft [F] haar gehele vermogen geschonken aan Stichting Particulier Fonds [G] (hierna: [G]). (…) [G] is fiscaal juridisch zodanig gestructureerd dat sprake zou moeten zijn van een zogeheten afgescheiden/zwevend vermogen. (…) Op [datum] 2003 is [F] geliquideerd.
Wet Erfbelasting 2010
(…) Middels mijn brief van 12 september 2008 (…) heb ik u voorzien van nadere informatie met betrekking tot de aangekondigde wetswijziging. Voor het onderhavige geval is belangrijk nota te nemen dat de staatssecretaris een einde wenst te maken aan constructies met trusts, SPF-en en dergelijke. (…)
De vraag is nu hoe het beste geanticipeerd kan worden op de aangekondigde wetswijziging. (…) In het hierna volgende ga ik ervan uit dat u onder het opmaken van huwelijkse voorwaarden bent gehuwd, [C] slechts de Belgische nationaliteit heeft, uitkeringen uit de SPF toegerekend dienen te worden aan het persoonlijk vermogen van [C] en dus niet onderdeel gaan uitmaken van het gemeenschappelijk huwelijksvermogen en dat uw kinderen fiscaal inwoner blijven van Nederland . (…)
3. Op basis van brief staatssecretaris oktober 2008:
– vermogen wordt in principe toegerekend aan [F]. Dit lijkt niet wenselijk vanwege de status van [F]. De foundation is inmiddels geliquideerd en de vraag rijst vervolgens aan wie het vermogen dan toegerekend worden? Ik ga ervan uit dat het niet wenselijk is dat verder onderzoek door de Nederlandse belastingdienst plaatsvindt hoe het vermogen in de foundation terecht is gekomen. (…)
(…) Hieruit kan derhalve geconcludeerd worden dat het niet zozeer om fiscale redenen, maar meer om financiële redenen –doch niet substantieel- overwogen zou kunnen worden om de SPF op te heffen. Alsdan kunt u zich rechtstreeks bemoeien met het beleggingsbeleid van uw vermogen. (…)”
 
2.3.20. Bij notariële akte is op [datum] 2009 [Stichting O] (hierna: de Stak) opgericht. De echtgenoot is daarbij als voorzitter aangesteld en belanghebbende als secretaris.
2.3.21. Vanaf 6 september 2009 volgt voor zover hier van belang de volgende correspondentie:
6 september 2009:
Een e-mailbericht van [E] aan [P] ([belastingadvieskantoor]) waarin onder andere valt te lezen:
“(…) In mijn vakantie ben ik gebeld door [D]. In dat telefoongesprek gaf hij te kennen dat de Raad van Advies van [G], de SPF wenst te liquideren. Hij heeft mij gevraagd deze liquidatie te begeleiden. Graag toestemming tot verlenging van mijn met [belastingadvieskantoor] overeengekomen urencontract met betrekking tot [G].”
 
6 september 2009:
Een e-mailbericht van [E] aan de echtelieden waarin onder andere valt te lezen:
“(…) Inmiddels heb ik contact gehad met [belastingadvieskantoor] en met hen besproken of zij toestemming willen verlenen voor een verlenging van mijn contract met [belastingadvieskantoor] met betrekking tot [G]. (…) Graag ontvang ik van je een kopie van het meest recente overzicht van de beleggingen in [G] (….). Op basis van dat recente beleggingsoverzicht zal ik een prof forma liquidatie balans maken. Op basis daarvan kan ik dan weer een concept opstellen voor de notulen van de vergadering van de Raad van Advies.
Gezien de importantie van het te nemen besluit, geef ik er de voorkeur aan dat de Raad van Advies fysiek bij elkaar komt in Belgie. Dit zou bijvoorbeeld Knokke kunnen zijn. Zou jij bij de leden kunnen sonderen wanneer die vergadering plaats zou kunnen vinden ? (..)
Ik neem aan dat je ook notaris [Q] wenst te gebruiken voor het opstellen van de certificerings akten. Hij weet nu van de hoed en de rand en dus verwacht ik thans geen vaktechnische problemen meer bij hem. Wellicht is het wel verstandig dat je bij hem aangekondigd dat dit traject er aan zit te komen. Eventueel zou je met hem een fee afspraak kunnen maken, maar nogmaals, ik denk dat hij nu weet hoe de aktes eruit dienen te zien.
Graag ook bericht welke bank gebruikt dient te worden en graag ook informatie over de bankgegevens. Ik neem aan dat je geen aparte bankrekening wenst te creeeren binnen de STAK.
Veelal pleegt voor wat betreft het vermogen zoals dat binnen een SPF wordt aangehouden, een vermogens beheerovereenkomst te worden opgesteld, in hoofdzaak om dat de client zich niet mag bemoeien met het beheer van het vermogen zoals dat binnen de SPF wordt aangehouden.
Indien het vermogen verdwijnt uit [G], zijn er dus twee aandachtspunten.
1. De huidige vermogens beheersovereenkomst voor wat betreft [G] dient zo spoedig mogelijk te worden beëindigd. Formeel wordt dat gedaan door de directie. Ik zal dat op mijn to-do lijstje zetten.
2. Wat mij betreft behoeft er niet opnieuw een vermogens beheer ovk te worden opgesteld tussen de vermogens beheerder en [C] c.q. [Stichting O]. Wellicht kan volstaan worden met een “advies overeenkomst”. Dat is dan weer goedkoper. (…)”
 
8 september 2009:
Bij e-mailbericht aan [E] reageert belanghebbende voor zover hier van belang als volgt:
“Wat betreft [G] :=
Zou het ook mogelijk zijn dat je de papieren ter ondertekening voor = de raad van advies klaar maakt, dat ik ze op kom halen of dat je ze = opstuurt naar ons. Ik ga dinsdag 29 september naar Wortegem, dan kan ik = [N], [B] en [J] laten tekenen. Een bijeenkomst lijkt mij niet nodig. = Dan bezorg ik ze zo spoedig mogelijk weer terug dan kunnen we verder met = de ontbinding. (…)”
 
16 september 2009:
Een e-mailbericht van [E] aan de echtelieden waarin onder andere valt te lezen:
“(…)
2. Ik zal er voor zorgen dat je de te tekenen documenten voor de vergadering van de RvA, uiterlijk op 28 september per mail in huis hebt. Dan kun jij op de 29e vergaderen.
3. Graag dan wel het meest recente beleggingsoverzicht van [G] uiterlijk op 24 september bij mij (….)
4. Graag nog jouw uitdrukkelijke bevestiging dat ik notaris [Q] kan inschakelen. Lijkt mij het meest praktische om hem bij dit traject te betrekken. Hij weet nu hoe het moet.
5. Graag jouw bevestiging dat er geen aparte bankrekeningen binnen de STAK geopend dienen te worden voor het geld dat afkomstig is van [G]. (…)”
 
28 september 2009:
Een e-mailbericht van [E] aan [R] (werkzaam bij de bestuurder) waarin onder andere valt te lezen:
“Morgen zal een vergadering van de Raad van Advies voor SPF [G] worden gehouden, waarbij geagendeerd is het bestuur van de [G] mandaat te verlenen om een buitengewone bestuursvergadering te organiseren waarin geagendeerd en besloten zal worden om [G] te liquideren en het vermogen te schenken aan [belanghebbende], respectievelijke, na inbreng van een deel van het vermogen in een STAK met de naam [Stichting O], de daarvoor in ruil gekregen certificaten te schenken aan de twee kinderen van [belanghebbende en D].
Bijgaand gelieve je aan te treffen een concept van de notulen van de vergadering van de Raad van Advies, alsmede een concept voor de documenten, op te stellen in verband met de te houden bestuursvergadering.
Volgens mijn informatie zou nog steeds als bestuurder zijn benoemd [S NV], maar blijkens raadpleging van het stichtingen register vandaag, blijkt als bestuurder te zijn benoemd [T BV]. Daarom heb ik die laatste naam in de bijgesloten concepten opgenomen. Overigens neem ik aan dat het inderdaad BV moet zijn en niet NV.
Beleefd verzoek ik je aanstaande vrijdag de betreffende bestuursvergadering te houden en mij een kopie van de getekende agenda, presentielijst en notulen te retourneren.
Zodra ik de getekende notulen van de vergadering van de Raad van Advies heb ontvangen, zal ik je uiteraard per ommegaande een kopie doorsturen.”
 
Een e-mailbericht van [E] aan [belanghebbende en D] waarin onder andere valt te lezen:
‘Het is mij een genoegen om jullie bijgaand te doen toekomen een concept voor de notulen van morgen te Wortegem te houden vergadering van de Raad van Advies voor SPF [G]. Ik zal zodadelijk aan [J] een volmacht toesturen. Graag ontvang ik een kopie van de getekende volmacht en de notulen retour.’
 
2.3.22. De notulen van de vergadering van de RvA op 29 september 2009 vermelden dat de RvA de voorstellen aanneemt om een schenking te doen van het totale vermogen van [G] voor 33,3% aan belanghebbende en voor 66,67% aan de Stak en om tot liquidatie van [G] over te gaan.
2.3.23. Een door de inspecteur vervaardigd overzicht, bijlage bij het verweerschrift: A Tijdslijn DEF, vermeldt onder meer:
169 5 oktober 2009: de heer [E] stuurt een emailbericht aan de formele bestuurder met ingesloten de getekende notulen van de vergadering van de RvA zoals vorige week gehouden. Tevens wordt een afschrift van de email verzonden aan [belanghebbende en D]. (…)
170 5 oktober 2009: de heer [E] stuurt een emailbericht aan [D] waarin o.a. valt te lezen:
‘(…) Het bestuur van [G] wordt gevoerd door [U NV], met als contactpersoon [R]. Aan wie moet [R] zijn brief richten om de vermogensbeheerovereenkomst inzake [G] op te zeggen ? (…)’
Op 6 oktober 2009 reageert [D]. Op 13 oktober 2009 stuurt [E] nogmaals dit berichtje, omdat hij de reactie kwijt is geraakt.
171 5 oktober 2009: de heer [E] stuurt een emailbericht met Word attachment aan [D] waarin o.a. valt te lezen:
‘(…) Bijgaand gelieve jullie aan te treffen een stappenplan in verband met de schenking en daarop volgende liquidatie van SPF [G].(…)’
In het aangehechte ‘Verkort stappenplan ‘liquidatie SPF [G]’’ d.d. 5 oktober 2009 (waarschijnlijk van de hand van de heer [E]) wordt aangegeven wie wanneer welke handelingen zal verrichten. Het stappenplan is als volgt opgebouwd:
– certificeren vermogen;
– schenking beleggingen aan [belanghebbende];
– schenking certificaten aan kinderen;
– opheffen SPF
– vaststellen jaarrekening 2009 tot liquidatiedatum.
Bij de meeste stappen is de heer [E] betrokken, zoals:
– bij het bepalen welke bestanddelen in [Stichting O] ingebracht dienen te worden;
– het bepalen van de uitgiftekoers van de aandelen;
– RvA- en bestuursvergadering inzake certificering van het vermogen;
– opmaken van de aktes tot uitgifte van certificaten ivm inbreng vermogen in [Stichting O]
– opstellen van een brief waarbij de onderhandse schenking door [belanghebbende] wordt aanvaard
– RvA- en bestuursvergadering inzake schenking van de certificaten aan de kinderen;
– Notariële akten van schenking van de certificaten;
– Opstellen van brieven waarbij de schenking door de kinderen worden aanvaard;
– RvA- en bestuursvergadering inzake opheffing van de SPF;
– RvA- en bestuursvergadering inzake vaststelling jaarrekening 2009 tot liquidatiedatum;
Mw. [belanghebbende] is betrokken bij:
– het bepalen welke bestanddelen in [Stichting O] ingebracht dienen te worden;
– de fysieke overheveling van het vermogen van de SPF aan [C].
[S] is de heer [E] bij de bestuursvergaderingen + de fysieke overheveling van het vermogen naar [belanghebbende] plus het opheffen van de bankrekening van de SPF.
172 5 oktober 2009: de heer [E] stuurt een emailbericht aan notaris [Q] waarin o.a. valt te lezen:
‘(…) Indien het goed is bent U recentelijk gebeld door [D] omtrent het voornemen van SPF [G] om over te gaan tot een schenking ter grootte van haar gehele vermogen. (…) De bedoeling is dat 33,3 % van het totale belegde vermogen in SPF [G] geschonken wordt aan [belanghebbende] te [woonplaats]. Het resterende gedeelte van het vermogen in [G] dient te worden ingebracht in de Stichting Administratiekantoor [Stichting O], tegen uitreiking van certificaten in [Stichting O] aan [G].
Na voormelde inbreng gevolgd door uitreiking van certificaten aan [G], dienen de betreffende certificaten, ieder voor de helft, geschonken te worden aan de twee kinderen van [belanghebbende en D].’
De heer [E] doet voorts het voorstel de afwikkeling met het oog op de fluctuerende waarden van de beleggingsportefeuille eventueel tegen schuldigerkenning over te maken aan de betreffende partijen opdat de definitieve bedragen die in de diverse aktes moeten worden
opgenomen vaststaan. Hij schrijft vervolgens: “Deelt U mijn mening hieromtrent? Zo ja, dan zal ik het bestuur van [G] vragen om hiervoor zorg te dragen, uiteraard na sondering hiervan met [belanghebbende en D].”
Deze mail is ook aansluitend op 5 oktober 2009 ter info gezonden aan de echtelieden [belanghebbende en D].
174 6 oktober 2009: Emailbericht van [D] aan de heer [E] waarin o.a. valt te lezen:
‘(…) [R] kan het vermogens beheer inzake [G] opzeggen door een brief te sturen naar ABN Amro (Luxembourg) SA, [V] (…) Luxemburg.
De heer [E] stuurt op 13 oktober 2009 deze email door aan de formele bestuurder. 176 9 oktober 2009: agenda, notulen en presentielijst van de bestuursvergadering van SPF [G] waarin o.a. wordt besloten tot schenking en liquidatie van SPF [G].
(…).
177 13 oktober 2009: De heer [E] stuurt in een email bericht aan notaris [Q] naar aanleiding van een zojuist gevoerd telefoongesprek een kopie van de notulen van de buitengewone bestuursvergadering van 9 oktober 2009 te Curaçao gestuurd. Ter info en ter completering van hun dossier heeft de heer [E] deze mail ook doorgestuurd aan de echtelieden [belanghebbende en D].
179 16 oktober 2009: de heer [E] heeft volgens zijn agenda van 19:00 – 23:00 uur te [woonplaats] een afspraak inzake [belanghebbende en D].
180 19 oktober 2009: Emailbericht van de heer [E] aan [D] waarin o.a. valt te lezen:
“(…) De contactpersoon voor [G] bij [S NV] is [W], om praktische redenen stuur ik haar een kopie van dit emailbericht. Ik heb haar vandaag weer gebeld omdat ik nog steeds geen kopie van de brief heb ontvangen waarbij [G] de vermogens beheer overeenkomst opzegt. (…)
Zou je kunnen nagaan wat op dit moment de omvang van de vermogensportefeuille in [G] is.
Zou je vervolgens een mailtje willen sturen aan [W] waarin je haar informeert omtrent het bankrekening van [C], respectievelijk van STAK [Stichting O] en haar willen vragen of zij – in haar hoedanigheid van enig bestuurder van SPF [G] – een mail/fax/brief wil sturen naar de vermogensbeheerder en de bank om 33,3% van de huidige totale portefeuille over te boeken naar de beleggingsrekening van [C] en het restant naar de beleggingsrekening van STAK [Stichting O].
Uitdrukkelijk geef ik hierbij aan dat het niet de bedoeling is dat de portefeuille eerst geliquideerd wordt. De beleggingen blijven in stand en de stukken dienen dus te worden overgeheveld.
Graag ontvang ik bericht omtrent de exacte bedragen, want dan kan ik op basis daarvan de acceptatie brief opstellen voor [C] en voor de kinderen. Ook kan ik dan bepalen hoeveel certificaten van aandelen door [Stichting O] uitgegeven dienen te worden aan [G] die dan vervolgens geschonken worden aan [kind 1] en [kind 2].
Ik zal morgen de notaris bellen, want ook van hem heb ik nog niets mogen vernemen. (…)”
(…)
186 20 oktober 2009: Emailbericht van [D] aan de formele bestuurder, waarin o.a. staat te lezen (…):
‘(…)Gaarne opzegging van de vermogens beheer overeenkomst met ABN-AMRO Luxembourg. Contactpersoon, [V], [adres] Luxembourg
fax [faxnummer].
Gaarne een mail sturen in uw hoedanigheid van enig bestuurder van spf [G] naar de vermogensbeheerder en de bank om 33,3% van de huidige portefeuille over te boeken naar de beleggingsrekening van [belanghebbende].
Beleggingsrekening van [belanghebbende] is [rekeningnummer 1] bij de ABN-AMRO bank. Het restant moet overgemaakt worden naar de beleggingsrekening van Stak [Stichting O].
Beleggingsrekening van Stak [Stichting O] is [rekeningnummer 2] bij de ABN-AMRO.
De beleggingen blijven in stand, en dienen te worden overgeheveld. (…)’
(…)
189 5 november 2009: het formeel bestuur verzoekt aan de bank ([V], ABN Amro Luxembourg SA) om 33,3% van de portefeuille van de SPF over te boeken naar de rekening (bij de ABN Amro Luxemburg) van [belanghebbende], het restant naar de rekening (bij de ABN Amro Luxemburg) van STAK [Stichting O]. Ook moet € 10.000 betaald worden aan [S].
(…)
193 10 november 2009: Faxbericht van de formele bestuurder aan [V] (ABN Amro Luxemburg SA (…):
‘(…)Middels ons faxbericht van 5 november jongstleden, hebben wij U gevraagd een aantal betalingen te doen in het kader van de liquidatie van SPF [G].
Naar aanleiding van ons telefoongesprek, bevestigen wij bij deze dat betreffende opdracht onjuist is en bevestigen wij voorts U gevraagd te hebben de betreffende opdracht niet uit te voeren. Bij deze trekken wij onze opdracht van 5 november in en verzoeken U zorg te dragen voor uitvoering van het volgende.
Alle liquide gelden aangehouden op de diverse bankrekeningen van SPF [G], zijnde per 30 September 2009, ongeveer € 136.139,19 dienen te worden overgemaakt naar bankrekening nummer [rekeningnummer 1] welke bankrekening op naam staat van [belanghebbende], en welke bankrekening wordt aangehouden bij de ABN-AMRO Bank te Luxemburg. Alle niet-Euro valuta die onderdeel uitmaken van voormeld bedrag dienen onmiddellijk daarna te worden geconverteerd in Euro, met uitzondering van het US$ bestanddeel, welke dient te worden overgemaakt naar bankrekening nummer [rekeningnummer 3] en welke bankrekening eveneens op naam staat van [belanghebbende] en welke bankrekening eveneens wordt aangehouden bij de ABN-AMRO Bank te Luxemburg.
Het resterende bedrag in SPF [G] bestaat uit beleggingen. Van dit resterende bedrag dient 33,3% van de huidige portefeuille te warden overgeboekt naar de beleggingsrekening nummer [rekeningnummer 1] welke op naam staat van [belanghebbende] en welke rekening wordt aangehouden bij de ABN-AMRO Bank te Luxemburg. Het restant dient te worden overgemaakt naar beleggingsrekening nummer [rekeningnummer 2] welke bankrekening op naam staat van STAK [Stichting O] en wordt aangehouden bij de ABN-AMRO Bank te Luxemburg. (…)’
194 12 november 2009: de heer [E] heeft volgens zijn agenda van 15:30-16:30 uur een bespreking met [D] en [C] te [woonplaats].
(…)
196 16 november 2009: Faxbericht van de formele bestuurder aan [V] (ABN Amro Luxemburg SA (…):
‘(…) Wij verzoeken u om met onmiddellijke ingang de liquide middelen van de stichting, over te boeken naar rekeningnummer [rekeningnummer 1] welke bankrekening op naam staat van [belanghebbende], en welke bankrekening wordt aangehouden bij de ABN-AMRO Bank te Luxemburg. Na overboeking van de liquide middelen verzoeken wij u de rekening af te sluiten.
Gaarne ontvangen wij, zo spoedig mogelijk, van u een bevestiging van de overboeking. (…)’
(…)
200 25 november 2009: Brief van [belanghebbende] aan de formele bestuurder waarin zij aangeeft te aanvaarden een schenking (ter grootte van 1/3e van het SPF-vermogen ad € 1.027.515).
(…)
203 3 december 2009: Factuur van [belastingadvieskantoor] aan de formele bestuurder ter grootte van € 705 waarop o.a. staat te lezen (…):
‘(…)Wegens voor u verrichte werkzaamheden gedurende de maand juli 2009
Werkzaamheden met betrekking wetsvoorstel erfbelasting en e-mail 705,00
correspondentie mei [D] (…)’
Op 5 december 2009 stuurt de formele bestuurder een email aan de heer [E]:
‘(…)Zou je ons kunnen adviseren aangaande de betaling van deze facturen?
Alle liquiditeiten zijn overgemaakt, dus ook indien ze akkoord bevonden worden, kunnen wij ze niet betalen.(…)’
Op 12 december 2009 stuurt de heer [E] een email met de facturen aan [belanghebbende en D]:
‘(…) Ter beoordeling en indien voor jullie akkoord, het verzoek om voor betaling zorg te dragen. (…)’
(…)
210 29 december 2009: Notariële akte van schenking bank- en effectentegoeden. Volgens de notariële akte schenkt SPF [G] aan [belanghebbende] liquide middelen ter grootte van € 293.914 en het restant van de beleggingsportefeuille groot € 1.025.100. (…)
211 29 december 2009: Notariële akte van levering bank- en effectentegoeden ter certificering. Volgens de notariële akte levert SPF [G] aan Stichting administratiekantoor [Stichting O] (vertegenwoordigd door [belanghebbende en D]) bank- en effectentegoeden ter grootte van € 2.050.200 en de stichting levert aan de SPF [G] hiervoor 2.050.200 certificaten ter grootte van € 1. (…)
212 29 december 2009: Notariële akte van schenking en levering certificaten van (aandelen in) bank- en effectentegoeden. Volgens de notariële akte levert SPF [G] aan ieder van de kinderen ([kind 1] en [kind 2], 1.025.100 certificaten ter waarde van
€ 1.025.100 in Stichting administratiekantoor [Stichting O].
(…)
284 [datum] 2010: Verklaring opgemaakt door de KvK Curaçao waarin is opgenomen dat per deze datum de Stichting [G] is ontbonden en het vermogen is vereffend (…).
285 27 juli 2010: Emailbericht van de formele bestuurder ([X]) aan [D] (…):
“(…)Aangehecht treft u een liquidatie verklaring van de Kamer van Koophandel Curaçao.
De verklaring geeft aan dat de liquidatie van de stichting is voltooid. Eveneens delen wij u
mede dat alle lokale instanties geïnformeerd zijn van de voltooiing van de liquidatie.(…)’
286 20 augustus 2010: emailbericht van [Y] ([belastingadvieskantoor]) aan de formele bestuurder (…):
‘(…)Bij SPF [G] blijven nog steeds 4 facturen open staan, in totaal € 2.527,00; de jongste factuur is van 14 januari 2010. Gezien de ouderdom van de facturen hoor ik graag wanneer de facturen zullen worden voldaan. (…)’
Hierop bericht de formele bestuurder:
‘(…) Op 11 juni 2010 heeft [D] ons per e-mail bericht dat de facturen van [belastingadvieskantoor] door hem zelf zal worden betaald. (…)”
 
2.4. De echtgenoot heeft de inspecteur bij brief van 29 november 2011 geïnformeerd over (onder meer) zijn betrokkenheid bij [H].
2.5. De inspecteur heeft de echtelieden en hun kinderen bij brief van 24 januari 2012 vragen gesteld over hun betrokkenheid bij [H].
2.6. De belastingadviseur van de echtelieden heeft de inspecteur bij brief, ontvangen door de inspecteur op 2 april 2012, geantwoord en in die brief tevens melding gemaakt van de mogelijke betrokkenheid van belanghebbende bij [G].
2.7. De inspecteur heeft bij brief van 19 april 2012 de echtelieden vragen gesteld over hun betrokkenheid bij en (vermoedelijke) beschikkingsmacht over de vermogens van [F] en [G]. In die brief heeft de inspecteur gewezen op de uit de AWR voorvloeiende verplichting om informatie te verstrekken.
2.8.1. Belanghebbende heeft bij brief van 29 juni 2012 aan de inspecteur stukken verstrekt inzake [F] en [G] en na een overleg tussen haar gemachtigde (hierna: de gemachtigde) en de inspecteur op 2 juli 2012, per e-mail (6 juli 2012 en 15 augustus 2012) nadere stukken inzake [F] en [G] aan de inspecteur gestuurd.
2.8.2. Na een bespreking tussen de gemachtigde en de inspecteur op 27 augustus 2012 heeft de inspecteur de echtelieden bij brief van 3 september 2012 bericht dat niet alle vragen uit zijn brief van 19 april 2012 (zie onder 2.7) zijn beantwoord. De inspecteur heeft in eerstgenoemde brief het informatieverzoek inzake [F] en [G] uitgebreid. In de brief van 3 september 2012 is ook verzocht om de volledige administratie van [F] en [G] te overleggen.
2.8.3. De inspecteur heeft voornoemd informatieverzoek herhaald in bijlage 2 bij een – naar aanleiding van een bespreking op 11 oktober 2012 opgestelde – brief met dagtekening 18 oktober 2012.
Bijlage 1 (het verslag van de bespreking op 11 oktober 2012) bij deze brief vermeldt voor zover hier van belang het volgende:
“[A], [D] en [C] weten niet meer hoe de Foundation is opgericht, welke stukken daarvoor nodig waren, wie getekend heeft etcetera. [A] heeft dat in ieder geval niet alleen gedaan; met [C] en [D] heeft hij de formaliteiten geregeld. Ook wanneer de SPF is opgericht, weten zij niet meer (…).”
 
Bijlage 2 bij deze brief vermeldt voor zover hier van belang het volgende:
“De openstaande vragen/verzoeken op informatie betreffen:
• De gehele administratie (in ruime zin, dus inclusief faxen, e-mail-berichten, correspondentie etc) van SPF [G], alsmede van [F] (zie voor eventuele matiging van deze opvraag mijn brief van 3 september 2012);
• De openstaande vragen/verzoeken om informatie uit mijn brieven van 19 april 2012 en 3 september 2012, zoals bijvoorbeeld de UBO-verklaringen, een overzicht van alle bestuurs- en RvA-vergaderingen, correspondentie tussen cliënten danwel hun adviseur met RvA en bestuur, facturen van dienstverleners (met specificatie van de werkzaamheden), klantacceptatiestukken, stukken van de overdracht van het Foundation-vermogen danwel vermogen van vader naar de SPF, stukken waaruit blijkt dat [C] en/of [D] hierin namens [A] hebben gehandeld; en een afschrift van de agenda’s van [C] en [D].”
 
De inspecteur heeft belanghebbende hierbij een termijn gegeven tot 26 oktober 2012. Tevens is belanghebbende gewezen op de verplichtingen van artikel 47 van de AWR en de mogelijke gevolgen daarvan, indien de gevraagde informatie niet wordt verstrekt.
2.8.4. Met dagtekening 7 december 2012 heeft de inspecteur de in geschil zijnde informatiebeschikkingen afgegeven. De informatiebeschikkingen voor de jaren 2000 tot en met 2002 zien op [F]; voor 2003 op [F] en [H]; die voor 2004 op [F], [H] en [G] en die voor de jaren 2005-2010 op [G] en [H].
2.8.5. De inspecteur heeft in de informatiebeschikkingen met betrekking tot [F] en [G] voor zover hier van belang de volgende overwegingen opgenomen (citaat uit de informatiebeschikking voor het jaar 2004):
“Inzake [F]
U heeft onder andere de navolgende informatie ingezonden:
– (Enkele) stukken over Belgische regularisatie van 200.000.000 BEF aan vermogen (uit offshore activiteiten) van vader [A] (notities en aanslagen).
– Fiscale adviesstukken van 28-1-2002 en 22-71-2002 over de SPF-constructie en hoe het vermogen van vader [A] vanuit de Foundation aan een SPF over te dragen.
 
(…) deze informatie [is] niet voldoende om het totale afwezig zijn van een Nederlands heffingsbelang te onderbouwen.
 
Ik stel vast dat ik de verzochte informatie (…) niet heb ontvangen. De volledige administratie (danwel de hierboven genoemde stukken uit mijn brief van 3 september 2012) is niet ter inzage verstrekt, alsmede is geen antwoord ontvangen op de vraag om de feiten en omstandigheden te overleggen die inzicht geven in de totstandkoming van, de activiteiten gedurende het bestaan van, en de beëindiging van (met overdracht van vermogen van) [F]. Derhalve ontvangt u hierbij deze informatiebeschikking (ex artikel 52a AWR).
(…)
Inzake SPF [G]:
Vastgesteld is dat u onder andere de navolgende informatie heeft ingezonden:
– Een aantal notulen van RvA- en bestuursvergaderingen, alsmede RVA- en bestuursbesluiten;
– SPF-jaarrekeningen 2003-2008.
– Oprichtingsakte, Letter of wishes, Huishoudelijk Reglement.
– Vrijwaringsovereenkomst.
– Opdracht en volmacht tot oprichting van de SPF
– Schenkingsovereenkomst 2006.
– Stukken van schenkingen uit 2009.
– Enkele stukken over de Belgische regularisatie van 500.000.000 BEF aan vermogen van vader [A].
– Fiscale adviesstukken van 28-1-2002 en 22-11-2002 over de SPF-constructie en hoe het vermogen van vader [A] vanuit de Foundation aan een SPF over te dragen.
 
Ik stel echter vast dat ik de verzochte informatie (…) niet volledig heb ontvangen. De volledige administratie is niet ter inzage verstrekt, alsmede is geen antwoord ontvangen op de vraag om de feiten en omstandigheden te overleggen die inzicht geven in de totstandkoming van en de activiteiten gedurende het bestaan van SPF [G]. Derhalve ontvangt u hierbij deze informatiebeschikking (ex artikel 52a AWR).”
 
2.8.6. Belanghebbende heeft de inspecteur bij brief van 14 december 2012 nog schriftelijke verklaringen verstrekt van de vader, van de broer, van [J] (accountant van de vader), van [K] en van [N] . Belanghebbende heeft de inspecteur bij deze brief tevens een CD-rom met een – van de voormalig bestuurder van [G] verkregen – kopie van de administratie van [G] verstrekt.
De voornoemde verklaring van de vader luidt voor zover hier van belang:“Op [datum] 1992 is mijn echtgenote overleden. In dat jaar hebben mijn kinderen en ik
successierechten betaald over haar nalatenschap. Op advies heb ik toen besloten om reeds een groot deel van mijn vermogen aan mijn beide kinderen te schenken, zodat zij later vrijgesteld worden van successie.
Dit gebeurt op 28 december 1994 bij notaris [notaris]. Er wordt een verdeling van de erfenis opgesteld en ondertekend. Omdat de verdeling niet helemaal evenredig is, tekent mijn dochter een verklaring van gelijkberechtiging, zodat er later geen ruzie tussen broer en zus kan ontstaan. Dit document wordt opgesteld, vastgelegd en ondertekend bij notaris [notaris].
In die tijd heb ik nog geld in Luxemburg bij KBC staan (niet officieel). Er wordt geadviseerd om het geld in Luxemburg weg te halen, daar KBC de veiligheid ervan niet kan garanderen. Ik informeer mijn dochter hierover en besluit dit potje te reserveren voor mijn kleinkinderen, [kind 1] en [kind 2], de kinderen van [D] en [C]. Omdat ze dan nog erg jong zijn wil ik graag de regie over het geld zelf in handen houden, om te voorkomen dat ze met het geld dingen gaan doen waar ik het niet mee eens ben. Ik heb toen besloten om het geld in een Liechtensteinse Stifftung in te brengen. Over de regularisatie van het vermogen van [F] heb ik in 2002 afspraken gemaakt met het ontvangkantoor in Oudenaarde.
Later is op mijn verzoek, nadat ik daarover geadviseerd ben geworden, SPF [G] opgericht en is het vermogen daar naartoe gebracht. In het aan mij uitgebrachte advies wordt de mogelijkheid geschetst om op een later moment giften te laten doen aan mijn dochter, haar kinderen of anderen. Ik geef de stichting en mijn dochter te kennen dat deze spaarpot gereserveerd is voor [kind 1] en [kind 2]. [belastingadvieskantoor] regelt alle formaliteiten zoals het hoort, mijn dochter geef ik opdracht om als tussenpersoon op te treden en zaken voor mij te regelen, waar ik gezien mijn leeftijd geen behoefte meer aan heb. Met het ouder worden, heb ik steeds meer aan haar overgelaten, zeker wat betreft papierwerk.
Na een vakantie op Tenerife komt mijn dochter met haar gezin bij mij op bezoek met de mededeling dat ze graag een appartement op het eiland willen kopen. Ik dien een verzoek in bij de raad van advies van de SPF voor een schenking van 800.000 euro aan [kind 1] en [kind 2] voor de aankoop van een vakantiehuis. De RvA gaat hiermee akkoord en in 2006 wordt 800.000 euro uit de SPF gehaald voor de aankoop en inrichting van een appartement in Tenerife op naam van [kind 1] en [kind 2]. Voor 2006 waren [kind 1] en [kind 2] helemaal niet op de hoogte van het bestaan van een SPF [G]. Zowel mijn dochter, haar man en hun beide kinderen maken regelmatig gebruik van het appartement.
Toen de liquidatie van de SPF ter sprake kwam, heb ik laten weten dat het vermogen naar rata aan mijn dochter en kleinkinderen geschonken kon worden”.
 
2.9. Belanghebbende en de inspecteur hebben in de bezwaarfase getracht tot een compromis te komen op basis van de aanwezige stukken maar dit is niet gelukt. De inspecteur heeft bij de uitspraken op bezwaar de informatiebeschikkingen ingetrokken voor zover die betrekking hebben op [H] en heeft de informatiebeschikkingen voor zover die zien op [F] en [G] gehandhaafd.
3 Geschil
 
3.1. In geschil is of de informatiebeschikkingen terecht zijn gegeven.
3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en het verhandelde ter zitting.
3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en van de informatiebeschikkingen. Belanghebbende verzoekt tevens om een proceskostenvergoeding en vergoeding van de door haar geleden immateriële schade.
3.4. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen en inwilliging van het verzoek om vergoeding van immateriële schade.
4 Beoordeling van het geschil
 
Mogelijk heffingsbelang
4.1.1. Belanghebbende heeft gesteld dat geen sprake is (geweest) van de gerechtigheid tot, een belang in of beschikkingsmacht over het vermogen van [F] en [G]. Het desbetreffende vermogen was van de vader, die de beschikkingsmacht daarover nooit uit handen heeft gegeven en ook nooit heeft willen geven. De echtelieden hebben de vader slechts bijstand verleend. De informatiebeschikkingen zijn dan ook ten onrechte gegeven, aldus belanghebbende.
4.1.2. Voor het bestaan van de ingevolge artikel 47 van de AWR op iemand rustende verplichting is voldoende dat de inspecteur zich op basis van de hem ter beschikking staande informatie in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat de gevraagde gegevens en bescheiden van belang zouden kunnen zijn voor de belastingheffing (HR 18 april 2003, nr. 38 122, ECLI:NL:HR:2003:AF7498). Het ligt op de weg van de inspecteur om de feiten en omstandigheden te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken die de conclusie rechtvaardigen dat de inspecteur zich in redelijkheid op bedoeld standpunt kan stellen.
4.1.3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur aan de op hem rustende stelplicht en bewijslast voldaan. Uit de onder 2 genoemde stukken – die op zichzelf niet worden bestreden door belanghebbende –, blijkt dat er een grote mate van betrokkenheid van de echtelieden – deels via hun belastingadviseur(s) – is bij [G]. Deze betrokkenheid betreft niet alleen betrokkenheid in de zin van bemoeienis bij beslissingen aangaande [G], maar ook in de vorm van vrijwaring van het bestuur door belanghebbende (zie 2.3.5) en in de vorm van verklaringen betreffende economische gerechtigheid (zie 2.3.10).
De rechtbank is van oordeel dat gelet op deze betrokkenheid de inspecteur zich in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat de door hem gevraagde gegevens en bescheiden van belang zouden kunnen zijn voor de belastingheffing van belanghebbende. Deze gegevens en bescheiden kunnen immers opheldering geven over de vraag of de betrokkenheid van de echtelieden bij [G] zodanig is dat dit gevolgen heeft voor de inkomstenbelastingheffing bijvoorbeeld omdat belanghebbende aangemerkt moet worden als (een) gerechtigde tot het vermogen van [G]. Voor een deel van de gevraagde gegevens en bescheiden geldt bovendien dat, indien voornoemde vraag bevestigend wordt beantwoord, deze relevant kan zijn voor de hoogte van de eventuele belastingheffing van belanghebbende over de jaren 2004 tot en met 2010. Het is – anders dan belanghebbende stelt – naar het oordeel van de rechtbank niet zo dat dergelijke informatie eerst gevraagd mag worden op het moment dat vaststaat dat belanghebbende gerechtigde tot het vermogen van [G] was.
Aangezien niet in geschil is dat het vermogen van [F] overgegaan is naar [G] kunnen, naar het oordeel van de rechtbank, de gevraagde gegevens en bescheiden betreffende [F] relevant zijn voor de hoogte van de eventuele belastingheffing van belanghebbende over de jaren 2000 tot en met 2003. Daarbij is in aanmerking genomen dat juist omdat belanghebbende inzake [F] zeer beperkt informatie heeft verstrekt, terwijl er wel aanwijzingen zijn voor betrokkenheid van de echtelieden bij [F] (zie 2.8.3), de inspecteur belang heeft bij de gevraagde informatie.
De enkele verklaringen van de vader en de anderen (zie 2.8.7) leggen, tegenover de andere onder 2 genoemde stukken, onvoldoende gewicht in de schaal om tot een ander oordeel te komen dan dat de inspecteur zich in redelijkheid op meergenoemd standpunt kan stellen.
De al dan niet verstrekte informatie
4.2.1. Belanghebbende heeft voorts het standpunt ingenomen dat zij afdoende en naar vermogen aan de op haar rustende verplichting heeft voldaan. Zij heeft steeds op de verzoeken van de inspecteur gereageerd en een veelvoud aan stukken overgelegd. De verstrekte informatie is voor de inspecteur voldoende om een standpunt in te nemen over het al dan niet aanwezig zijn van een heffingsbelang. Dat wat niet is overgelegd heeft nauwelijks nog betekenis, of was redelijkerwijs niet te verkrijgen, aldus belanghebbende.
4.2.2. Uit dit standpunt volgt dat belanghebbende niet betwist, en dat daarmee vaststaat, dat niet alle door de inspecteur gevraagde informatie is verstrekt. De rechtbank ziet zich aldus voor de volgende vragen gesteld1. Is de wel verstrekte informatie voldoende?
2. Heeft belanghebbende aan haar inspanningsverplichting voldaan om de nodige stukken te verkrijgen?
4.2.3. Wat betreft [F] overweegt de rechtbank als volgt. Vast staat dat een groot deel van de gevraagde informatie inzake [F] niet is verstrekt. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur zich met betrekking tot de niet-verstrekte informatie in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat deze van belang zou kunnen zijn voor de belastingheffing, met name om meer helderheid te krijgen omtrent de vorm en de mate van betrokkenheid van de echtelieden bij [F]. Het standpunt van belanghebbende dat de verstrekte informatie voldoende is, wordt derhalve verworpen.
Ook het standpunt van belanghebbende dat zij aan haar inspanningsverplichtingen heeft voldaan, verwerpt de rechtbank. In de bespreking met de inspecteur op 11 oktober 2012 is verklaard dat de echtelieden betrokken zijn geweest bij de formaliteiten voor de oprichting en liquidatie van [F] (zie 2.8.3). Dat de echtelieden niet over meer informatie over [F] (kunnen) beschikken dan is overgelegd, komt de rechtbank tegen deze achtergrond onaannemelijk voor. Bovendien kan van belanghebbende worden gevergd dat zij de gevraagde informatie opvraagt bij anderen, bijvoorbeeld bij de vader, bij de voormalig bestuurder van [F] en/of bij mogelijk andere betrokkenen. Dat belanghebbende daartoe voldoende inspanningen heeft verricht, heeft zij onvoldoende onderbouwd.
4.2.4. Ook wat betreft [G] is de rechtbank van oordeel dat de inspecteur zich met betrekking tot de niet-verstrekte informatie in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat deze – naast de verstrekte informatie – van belang zou kunnen zijn voor de belastingheffing, met name om meer helderheid te krijgen in de vorm en de mate van betrokkenheid van de echtelieden bij [G]. Het standpunt van belanghebbende dat de verstrekte informatie voldoende is, wordt derhalve verworpen.
De inspecteur heeft gemotiveerd en onvoldoende weersproken gesteld dat de informatie die is verstrekt met betrekking tot [G], enkel afkomstig is van [belastingadvieskantoor] en het bestuur van [G]. Gelet hierop en gelet op de door de echtelieden verrichte handelingen en gevoerde correspondentie met betrekking tot [G] (zie het feitenrelaas in 2.3), komt het zonder motivering – die belanghebbende niet afdoende gegeven heeft – onaannemelijk voor dat de echtelieden niet meer stukken kunnen overleggen. Voorts kan van belanghebbende worden gevergd dat – voor zover zij of de echtgenoot niet over de gevraagde informatie beschikt – zij de gevraagde informatie opvraagt bij betrokken derden. Belanghebbende heeft weliswaar stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij bij diverse partijen informatie heeft opgevraagd ([E], [I NV], het bestuur), maar de inspecteur heeft gemotiveerd aangevoerd dat belanghebbende niet alle beschikbare bronnen heeft benut. Zo zijn geen stukken overgelegd waaruit af te leiden valt dat bij de vader, de (overige) leden van de RvA, de diverse betrokken financiële instellingen en de vereffenaar van [G] informatie is opgevraagd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij alle van haar te verlangen inspanningen verricht heeft om de verzochte informatie te vergaren. De stelling van belanghebbende dat zij geen invloed heeft gehad op hetgeen wel is verstrekt en dat partijen weigerachtig zijn de verzochte stukken te overleggen, is naar het oordeel van de rechtbank tegenover wat hiervoor is overwogen onvoldoende.
Proportionaliteit
4.3. Belanghebbende heeft gesteld dat de inspecteur met zijn vragen – gelet op de reeds geleverde inspanningen – de grenzen van de proportionaliteit heeft overschreden en dat derhalve de sanctie van omkering van de bewijslast geen opgeld kan doen. De inspecteur heeft daartegenover het standpunt ingenomen dat een oordeel over omkering van de bewijslast pas in de hoofdzaak over de eventuele (navorderings-)aanslagen kan worden gegeven.
De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank verwerpt het standpunt van belanghebbende dat de inspecteur met zijn vragen de grenzen van de proportionaliteit heeft overschreden. De inspecteur had en heeft een gerechtvaardigd belang bij de informatieverzoeken. Gelet op hetgeen hiervoor in 4.1.3, 4.2.3 en 4.2.4 is overwogen, valt niet in te zien dat de verzoeken niet proportioneel zijn.
Voor zover belanghebbende stelt dat de inspecteur met het vaststellen van de beschikking heeft gehandeld in strijd met het evenredigheidsbeginsel omdat de relevantie van de ontbrekende informatie niet de sanctie van de omkering van de bewijslast rechtvaardigt, wordt het standpunt van belanghebbende ook verworpen. Of het niet-verstrekken van de gevraagde informatie de sanctie van de omkering van de bewijslast rechtvaardigt, kan niet in deze procedure worden beoordeeld maar dient te worden beoordeeld in het eventuele geval dat de inspecteur (navorderings-)aanslagen oplegt, waartegen belanghebbende alsdan de rechtsmiddelen van bezwaar en (hoger)beroep kan aanwenden (vgl. Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 23 juli 2013, ECLI:NL:GHSHE:2013:3380, r.o. 4.8). Daarvoor pleit ook dat de rechter die over de (navorderings-)aanslagen oordeelt, zicht heeft op het ‘hele plaatje’ (welke informatie wel en niet verstrekt is, en de overige stukken van het geding), en daarmee in een betere positie is dan de rechter die over de informatiebeschikking oordeelt, om tot een afgewogen oordeel te komen op dit punt. Dat, zoals belanghebbende heeft aangevoerd, blijkens Kamerstukken II 2008/09, 30 645, nr. 14, p. 10, de redelijkheid van de toepassing van omkering en verzwaring van de bewijslast in het concrete geval als bezwaargrond tegen een informatiebeschikking kan worden aangevoerd, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel.
Strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur?
4.3.1. Belanghebbende heeft gesteld dat de inspecteur vóór de bezwaarfase stelselmatig verzoeken heeft geweigerd om belanghebbende informatie – met name adresgegevens – te verstrekken die haar had kunnen helpen bij de informatievergaring. De inspecteur beschikte immers over zogenoemde restinformatie uit het strafrechtelijk onderzoek tegen [E], waarop de inspecteur een heffingsbelang bij belanghebbende vermoedde. Het onthouden van deze informatie leverde strijd op met het zorgvuldigheidsbeginsel omdat de informatiebeschikkingen daardoor niet deugdelijk zijn voorbereid, aldus belanghebbende.
4.3.2. De rechtbank verwerpt de stelling van belanghebbende. De rechtbank neemt hierbij allereerst in aanmerking dat de inspecteur niet verplicht is om belanghebbende voorafgaande aan de bezwaarfase inzage te verlenen in alle hem ter beschikking staande stukken. De rechtbank neemt voorts in aanmerking dat de inspecteur onvoldoende weersproken heeft gesteld dat belanghebbende – gelet op haar acties voorafgaand aan de informatiebeschikkingen – door het onthouden van de gevraagde informatie niet wezenlijk is benadeeld om aan de informatieverplichtingen te voldoen. Daarbij is ook van belang dat vooralsnog niet aannemelijk is dat de echtelieden niet over (een deel van) de gevraagde informatie beschikken (zie 4.2.3 en 4.2.4). De inspecteur heeft voorts onweersproken gesteld dat de verzochte informatie zich niet in de restinformatie bevond.
4.3.3. Belanghebbende heeft het standpunt ingenomen dat de uitspraken op bezwaar vernietigd dienen te worden omdat zij onvoldoende gemotiveerd zijn. Daartoe voert belanghebbende aan dat in het geschrift waarbij de uitspraken op bezwaar zijn gedaan, geen onderscheid wordt gemaakt in de betrokken jaren. De inspecteur heeft ten onrechte niet onderbouwd welke ontbrekende stukken hij voor welk jaar relevant acht. Dit is van belang nu per jaar een informatiebeschikking is afgegeven, aldus belanghebbende.
4.3.4. De rechtbank verwerpt ook dit standpunt. De informatiebeschikkingen zijn gegeven voor elk jaar afzonderlijk. In elke informatiebeschikking die betrekking heeft op [F] (2000 tot en met 2004) en/of [G] (2004 tot en met 2010) is voor [F] en [G] afzonderlijk vermeld welke informatie ontbreekt. Daarbij gaat het elk jaar om dezelfde ontbrekende informatie. Tegen deze achtergrond levert de omstandigheid dat in het geschrift waarbij de uitspraken op bezwaar zijn gedaan, geen uitsplitsing per jaar is gemaakt maar in het algemeen is vermeld welke informatie niet is verstrekt, geen strijd met de motiveringsplicht op.
Bewijsaanbod
4.4. Belanghebbende heeft verzocht om, mocht daar reden voor zijn, in de gelegenheid gesteld te worden om nader bewijs te leveren, in het bijzonder middels het nog horen van getuigen.
4.5. De rechtbank overweegt als volgt. Belanghebbende is middels de uitnodigingen voor de mondelinge behandeling erop gewezen dat zij het recht heeft getuigen mee te brengen of op te laten roepen. Daarmee is afdoende gelegenheid geboden tot uitvoering van het (voorwaardelijke) bewijsaanbod (vgl. HR 23 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1194, r.o. 3.3.4). Dat belanghebbende hier geen gebruik van heeft gemaakt komt voor haar rekening. Hier hebben zich immers geen feiten of omstandigheden voorgedaan die de conclusie rechtvaardigen dat zich het geval voordoet waarin belanghebbende in redelijkheid niet kan worden tegengeworpen dat zij van de geboden mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt.
Beslissing
4.6. Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard. Voor dat geval heeft belanghebbende verzocht om een termijn van zes maanden voor het alsnog kunnen overleggen van de ontbrekende stukken. Nu de inspecteur dat verzoek niet heeft bestreden, zal de rechtbank beslissen overeenkomstig dat verzoek.
5 Schadevergoeding
 
Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van geleden immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van de behandeling van het bezwaar en het beroep voor elke informatiebeschikking afzonderlijk. De inspecteur heeft ter zitting verklaard dat aan belanghebbende een vergoeding als gevolg van de te lange behandelingsduur van het bezwaar kan worden toegekend van € 5.500, zijnde € 500 per half jaar voor elke zaak apart (11 stuks in totaal). Belanghebbende heeft ingestemd met de hoogte van deze vergoeding. Gelet hierop zal de rechtbank de inspecteur veroordelen tot betaling van een immateriële schadevergoeding van € 5.500.
Aangezien de rechtbank binnen anderhalf jaar uitspraak doet na binnenkomst van het beroepschrift (14 oktober 2013), is van de overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van het beroep geen sprake. Voor een veroordeling van de Staat tot betaling van een immateriële schadevergoeding ziet de rechtbank daarom geen reden.
6 Proceskosten en griffierecht
 
6.1. Nu de rechtbank belanghebbende een immateriëleschadevergoeding toekent, ziet de rechtbank aanleiding het griffierecht op de voet van artikel 8:74, lid 2, van de Awb door de inspecteur aan belanghebbende te laten vergoeden en, aangezien belanghebbende zich in beroep heeft laten bijstaan door een professionele gemachtigde, de inspecteur op de voet van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van belanghebbende. In dezelfde zin het arrest van de Hoge Raad van 20 maart 2015, nr. 14/01332, ECLI:NL:HR:2015:660.
6.2 De door de inspecteur te vergoeden proceskosten voor de beroepsfase zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 735 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 490, met factor 0,5 voor het gewicht van de zaken en factor 1½ wegens vier of meer samenhangende zaken). Het gewicht van de zaak is gesteld op 0,5 (licht) omdat de inspecteur slechts veroordeeld wordt in de proceskosten omdat aan belanghebbende een vergoeding voor immateriële schade wordt toegekend (zie Hoge Raad 20 maart 2015, ELCI:HR:2015:660). De rechtbank beschouwt de zaken van de echtelieden als samenhangend. De rechtbank zal in de onderhavige zaken de helft (€ 367,50) toekennen.
7 Beslissing
 
De rechtbank;
– verklaart de beroepen ongegrond;
– stelt belanghebbende in de gelegenheid om binnen zes maanden na de dag van de verzending van deze uitspraak de door de inspecteur verzochte informatie te verstrekken;
– veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van door belanghebbende geleden immateriële schade ten bedrage van € 5.500;
– veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende in beroep ten bedrage van € 367,50;
– gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 44 aan deze vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan op 9 april 2015 door mr.drs. M.H. van Schaik, voorzitter, mr. W.A.P. van Roij en mr. M.R.T. Pauwels, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.J.M. Mies, griffier.